|
marian boyer |
|
Ja, nee, misschien of toch niet
|
|
Ik zit met een vriendin in de auto, we zijn op weg naar een bespreking. Ze wordt gebeld, en haar telefoon staat op de handsfree, want zo hoort het. ‘Mijn moeder,’ zegt mijn vriendin, en ze toetst in.
- Je hebt niet teruggebeld, waar zit je? - Dag mam. - Heb je het druk, ik hoor niks. - Zet je apparaat wat harder, dan hoor je het beter. - Maak maar weer grapjes. Ik bedoel, ik hoor niks van jóu. - Ik ben ook aan het werk. - Je bent helemaal niet aan het werk, je zit in de auto. - Ik ben aan het werk, mam. - Ik ben niet doof. Maar je weet dat ik er slecht aan toe ben. - Dat weet ik, en het spijt me. - Waarom heb je me niet gebeld, ik kon wel dood wezen. - Maar dat ben je niet, toch? - Niet dat het jou kan schelen, maar je broer belt iedere dag. - Edwin zit de hele dag thuis, duimen te draaien. - Die jongen heeft het goed gedaan met zijn zaak. En hij heeft ook nog tijd voor mij, hij heeft gevoel in zijn donder. - Heel veel gevoel. - Die toon hoor ik. En je kan nu wel ophangen zoals laatst, maar het gaat heel slecht, ze hebben de medicatie verhoogd. Edwin gaat morgen met me mee naar het ziekenhuis. - Dat is dan toch mooi? - Noem dat maar mooi. Het is meer dan een uur rijden. - Ik rijd nu een tunnel in mam, het kan zijn dat ik wegval. - Jaja.
Dat van die tunnel was niet waar, toch kon ik begrijpen dat mijn vriendin tegen haar moeder loog . Ik ben benieuwd wie er nog meer tegen zijn ouders heeft gelogen, en waarom. Reageren kan via de knop hieronder. Het blijft tussen ons. En anders rijden we even een tunnel in.
> reageer
|
|
© marian boyer de teksten op deze site mogen niet zonder toestemming worden gekopieerd |