|
marian boyer |
|
Ja, nee, misschien of toch niet
|
|
Ik was verliefd op een jongen. Het was een lange jongen. Ik vond het leuk dat ik kleiner was dan hij, daardoor had ik het idee ik beschermd werd. Om de lange jongen ging ik in een nieuw huis wonen, in het oude huis kon ik niet blijven, het ging er al een tijd niet goed en ik was vaak alleen. Toen ik het nieuwe huis kreeg had ik bijna geen meubels, de meeste spullen in het oude huis waren niet van mij. Ik vond het niet erg dat ik niets had, ik kon rustig nadenken over hoe alles moest staan, en even later hoe het anders moest staan. Ik was bang voor de huizen die waren ingericht zodra de bewoners erin trokken dus het kwam goed uit.
De lange jongen zag ik even vaak als toen ik in het oude huis woonde, dat was niet vaak. Ik kan me niet herinneren dat hij in het nieuwe huis is geweest. Misschien ligt dat aan mijn geheugen, maar ik zou het beeld van de lange jongen in de lege kamer onthouden hebben. Ik schoof het bureau van de ene muur naar de andere, verfde de keukentegels, schrobde het bad en zette er het badeendje neer dat ik uit het oude huis had meegenomen. Als ik mijn kind miste ging ik naar boven en richtte ik zijn kamertje verder in, of ik ging juist iets doen wat daar niets mee te maken had. De meeste tijd wachtte ik, op mijn kind en op de lange jongen.
De lange jongen belde me. Hij wilde afspreken, het kon alleen op de dag dat juist mijn verstandskiezen werden getrokken. De afspraak met de tandarts was in de morgen, de afspraak met de lange jongen zou in de middag zijn. De lange jongen had een drukke agenda en hij moest ook nog naar het buitenland. We spraken af in een café, daar dacht ik niets van, we spraken wel vaker af in een café, ik was blij hem weer te zien. Een paar dagen later werd er gebeld. Er kwam een man met een groot pakket naar boven. Er stond de naam op van een winkel met designmeubels. Ik pakte de doos uit. Er zat een duur tafeltje in, en ik was erg blij, zoals je blij bent met elk cadeau waarmee je iets samen begint, het had net zo goed een pan kunnen zijn of een droogrek.
Op de dag van onze afspraak was mijn linkerwang ‘s middags nog opgezwollen. Mijn linkeroog zat dicht, ik praatte met een slappe mond en langzaam werkte de verdoving uit. In het café zat de lange jongen, hij stond op en gaf me een kus op mijn linkerwang, ik ging gauw weer zitten. Ik hield mijn hand over mijn wang omdat ik dacht dat ik er afschuwelijk uitzag. Ik zei dat ik het tafeltje al vaak had verplaatst, het paste overal, en dat ik er heel blij mee was. Toen zei de lange jongen dat hij me iets moest vertellen, voor ik het van anderen zou horen. Hij zei wat er meestal op deze woorden volgt. Ik knikte. We probeerden verder te praten, maar er was niet veel te zeggen. Ik probeerde te glimlachen, ik wilde niet laten zien hoe erg ik het vond wat hij had gezegd, niet met die kiespijn erbij. De lange jongen zei dat hij weg moest. Buiten zag ik hem boven iedereen uittorenen. Toen ik hem niet meer zag ging ik weer naar het nieuwe huis met het nieuwe tafeltje.
> reageer
© marian boyer de teksten op deze site mogen niet zonder toestemming worden gekopieerd
|